
Verwijderende borstoperatie waarbij de borstspieren en lymfeklieren in de oksel niet verwijderd worden.
Opname van (voedings) stoffen in de darmen
Plotseling optredend.
Aanvullend, ondersteunend
Ondersteunende behandeling na operatieve verwijdering van de tumor om eventueel resterende losse tumorcellen te doden
(leucocyten) de witte bloedcellen die het lichaam beschermen tegen infecties en lichaamsvreemde stoffen
Het vermogen van het menselijk organisme om het binnendringen van lichaamsvreemde elementen tegen te gaan
Operatieve verwijdering van een lichaamsdeel.
Bloedarmoede; tekort aan rode cellen in het bloed, die voor het zuurstoftransport zorgen.
Nieuwe vorming van bloedvaten. De vorming van nieuwe bloedvaten wordt gestimuleerd door de afscheiding van zogenaamde groeifactoren die worden aangemaakt door omliggende cellen. Een belangrijk voorbeeld van een groeifactor is VEGF: Vascular Endothelial Growth Factor.
Benaming voor nieuwe groep van anti-kanker geneesmiddelen, die gebruik maken van het feit dat een tumor nieuwe bloedvaten (angiogenese) nodig heeft om te kunnen groeien. Door deze vorming van bloedvaten te remmen wordt de tumor in zijn groei belemmerd.
Geneesmiddelen behorend tot de groep van chemotherapeutica. Van oorsprong antiobiotica die toegepast worden bij kanker vanwege hun remmende effect op de celgroei, bijvoorbeeld: doxorubicine en epirubicine.
Geneesmiddelen die bacterieën kunnen doden
(Receptor) eiwit op het celoppervlak van een virus, bacterie of tumor waardoor deze door het lichaam als “indringer” wordt herkend en waartegen antilichamen worden gemaakt om deze “indringer” te vernietigen. (Antigeen-antilichaam reactie; de antilichaamtherapie is gebaseerd op dit mechanisme).
Deel van het afweersysteem van het lichaam. Bindt zich aan antigenen van bijvoorbeeld virus of tumor om deze onschadelijk te maken.
Behandeling waarbij in het laboratorium gemaakte antilichamen doelgericht tegen bepaalde receptoreiwitten (antigenen) op tumoren worden ingezet om deze onschadelijk te maken. Een belangrijk voordeel van antilichaamtherapie vergeleken met andere kankergeneesmiddelen is, dat deze antilichamen specifiek gericht zijn op de kankercel en slechts op weinig andere lichaamscellen werken. Dit leidt ertoe dat antilichaamtherapie minder bijwerkingen heeft dan bijvoorbeeld chemotherapie.
Geneesmiddelen die het groei-stimulerende effect van de lichaams-eigen oestrogenen op de (tumor)cel tegengaan.
Groep van geneesmiddelen die de productie van lichaams-eigen oestrogeen remmen
Binnenste gedeelte van het bot, waar de aanmaak van nieuwe bloedcellen plaatsvindt
Groeifactoren die de aanmaak van nieuwe bloedcellen in het beenmerg stimuleren
Richtlijnen die opgesteld zijn door de beroepsgroep van oncologen waarin wordt aangegeven wat de beste behandeling is bij bepaalde tumoren en/of patiëntengroepen. Oncologen dienen deze richtlijnen te volgen bij de keuze van hun behandeling.
Goedaardig.
Toepassing van gerichte radioactieve straling om kwaadaardige cellen te vernietigen. Dit kan van buitenaf gebeuren waarbij de stralenbundel zo nauwkeurig mogelijk gericht wordt op het kwaadaardige weefsel of van binnenuit (inwendige bestraling). Hierbij worden hele kleine radioactieve staafjes in de tumor aangebracht. De schade voor de rest van het lichaam is in beide gevallen gering.
Het totale beeld van mogelijke bijwerkingen van een bepaald geneesmiddel.
Weefsel dat zich tussen de organen, bloedvaten en spieren bevindt en voornamelijk dient als steun, bedekking en opvullling.
Factoren die in weefsel of lichaamsvloeistoffen zoals bloed of urine worden aangetroffen. Bijvoorbeeld de bloedbezinking of de bloedsuikerspiegel. Biomarkers zijn meetbaar en kunnen ons vertellen wat er in ons lichaam gaande is, bijvoorbeeld een ontsteking of diabetes. Ook voor kanker komen er steeds meer biomarkers. Er bestaan biomarkers die helpen bij de opsporing van kanker maar ook biomarkers die kunnen voorspellen hoe agressief een tumor is. Hiernaar wordt bij borstkanker momenteel veel onderzoek verricht.
Het wegnemen van een klein stukje weefsel uit het lichaam (het biopt), met tot doel dit in het laboratorium te onderzoeken. Hierbij wordt ofwel door middel van een dikke naald, ofwel operatief een stukje weefsel (histologie) uit de tumor genomen. Dikke naaldbiopsie vindt meestal onder lokale verdoving plaats omdat de naald dikker is dan bij een punctie en er een klein gaatje in de huid moet worden gemaakt.
Groep geneesmiddelen die de botafbraak remmen en daardoor osteoporose kunnen voorkomen. Bij uitgezaaïde borstkanker naar het bot kunnen ze complicaties voorkomen zoals fracturen, botpijn en hypercalciëmie. Tevens kan het bij patiënten die al botpijn hebben een pijnstillend effect geven.
Tekort aan rode cellen in het bloed, die voor het zuurstoftransport zorgen naar alle organen en weefsels in het lichaam.
Resultaten van het tellen van de cellen in een afgenomen bloedmonster (aantal witte en rode bloedcellen en aantal bloedplaatjes)
De vloeistof waaruit het bloed bestaat waarin de bloedcellen als het ware rondzwemmen. Dit vocht kan in bepaalde gevallen de wand van het bloedvat passeren.
Aanvulling van verloren gegane bloedcellen en bloedplasma door middel van donorbloed of donorbloedcellen (leucocyten, thrombocyten, erythrocyten).
De stamcellen in het beenmerg die basis vormen voor de aanmaak van rode en witte bloedcellen en bloedplaatjes
Langwerpig bot tussen beide borsten waaraan de bovenste ribben zijn verbonden en die tezamen de borstkas vormen.
Kwaadaardig gezwel in de borst
Vervanging van weggenomen borstweefsel door ander weefsel of door een prothese
Operatie waarbij slechts een klein deel van de borst wordt verwijderd
De spieren rondom de borst, die de borst haar stevigheid geven
Het systematisch aftasten van de borst dat door de vrouw zelf maandelijks gedaan kan worden om te voelen of er veranderingen zijn zoals verdikkingen, verhardingen, knobbeltjes, voelbare klieren of afscheiding uit de tepel. Lees voor uitgebreide informatie en instructie het deel Onderzoeken –zelfonderzoek van deze website
Bij borstkanker is dit een tumor die nog niet buiten de grens van één melkklier of melkgang is gegroeid. Men spreekt ook wel van een voorstadium van kanker.
Het proces waarbij een cel zich in twee dochtercellen deelt. Bij gezonde weefsels treedt hierdoor voortdurende vernieuwing op. Oude cellen sterven na verloop van tijd af. Bij kwaadaardige weefsels is sprake van zeer snelle deling waardoor niet alleen vernieuwing maar ook ongeremde groei plaatsvindt.
Kleinste levende delen waaruit het lichaam is opgebouwd. Er zijn zeer veel soorten cellen die allemaal verschillende functies vervullen en met elkaar het lichaam in stand houden.
De cel betreffende.
Het soort cel; de eigenschappen van de cel.
Het omhulsel van een cel.
Een chemisch bereide stof met een remmende of dodelijke werking op sneldelende cellen zoals tumorcellen.
Staafvormige structuur in de celkern. De mens heeft 46 chromosomen. Hierop bevinden zich de genen met het erfelijke materiaal.
Chromogene in situ hybridisatie, een methode om overexpressie van bijvoorbeeld HER2 te meten.
Behandeling met meerdere geneesmiddelen tegelijk; bedoeld om elkaars effectiviteit te versterken.
Problemen (ten gevolge van een operatie of behandeling).
diagnostische procedure waarmee met behulp van radioactieve stralen een beeld van een dwarssnede van de patiënt kan worden gemaakt. Voor dit onderzoek ligt de patiënt stil op een tafel. De machine draait rond de patiënt, en ook de tafel wordt bewogen, zodat er van verscheidene hoeken beelden kunnen worden genomen. Soms wordt een contrastvloeistof ingespoten, waardoor de gemaakte beelden scherper omlijnd zijn. De beelden worden nadien verwerkt door een computer. Het eindbeeld verschijnt dan op het computerscherm, en kan worden gezet op een "film" . Een CT-scan geeft enkele voordelen ten opzichte van andere diagnostische technieken, vooral omdat het duidelijke en scherpe beelden oplevert van de vorm en de lokatie van organen en weefsel in elke dwars doorsnede van het lichaam. Deze techniek kan hoge kwaliteitsbeelden leveren van zacht weefsel zoals longen, maar ook van hard weefsel zoals bot. Het heeft al vele diensten bewezen bij het opsporen van kanker, beginnend in, of zich uitspreidend naar inwendige organen.
Behandeling met genezing als doel.
Goedaardige gezwellen, veelal gevuld met vocht.
Geneesmiddelen met een remmend effect op de celdeling.
Extreme somberheid; geen zin meer in het leven hebben en/of de zin ervan niet meer zien.
Medicijn behorend tot de groep van corticosteroiden. Deze groep van middelen wordt veelal gebruikt vanwege hun ontstekingsremmende werking in het lichaam. Wordt als premedicatie toegepast bij behandeling met taxanen.
Vaststellen van een bepaalde afwijking of ziekte.
Deoxyribonucleïnezuur, de bouwstenen van de genen in de kern van elke cel, bevatten het erfelijke materiaal.
Diagnostische techniek waarbij gebruik wordt gemaakt van geluidsgolven; daarmee is het mogelijk ziekten en aandoeningen op te sporen die structurele veranderingen (zoals bijvoorbeeld een tumor) in een deel van het lichaam teweegbrengen.
Een echografie biedt verschillende voordelen. Het belangrijkste hiervan is dat dit onderzoek gebruik maakt van geluidsgolven en de patiënt dus niet aan straling wordt blootgesteld, zoals bij röntgenonderzoek. Een echografie doet geen pijn en is bovendien betrekkelijk veilig. Daarom kan dit onderzoek ook onder speciale omstandigheden worden gedaan, zoals tijdens een zwangerschap, waarbij röntgenstralen moeten worden vermeden.
Rode bloedcellen, deze zijn verantwoordelijk voor het zuurstoftransport naar de weefsels.
Stof die het beenmerg aanzet tot de vorming van erythrocyten (rode bloedcellen).
Fluorescentie in situ hybridisatie, een methode om overexpressie van bijvoorbeeld HER2 te meten, waarbij gebruik wordt gemaakt van een fluorescentie microscoop.
Onmisbaar voedingsbestanddeel, behoort tot de vitamine B groep.
Mate waarin (tumor) cellen hun normale specialistische functie hebben behouden. Bij goed gedifferentiëerd (graad 1) is deze normale functie nog grotendeels intact, bij middelmatig gediffentieerd (graad 2) is deze ten dele verloren en bij slecht gedifferentiëerd (graad 3) is de normale functie vrijwel geheel verloren gegaan. Cellen die beter gedifferentiëerd zijn, zijn minder kwaadaardig en groeien in het algemeen minder snel. Zie ook bij gradatie.
Biologische eenheid van erfelijk materiaal, speelt een belangrijke rol bij de celdeling en aanmaak van cellen. Bevindt zich op een bepaalde plaats op een chromosoom. Is opgebouwd uit lange gedraaide DNA ketens.
Erfelijk.
Onderzoek naar mogelijke erfelijke afwijkingen (die een rol spelen bij het ontstaan van bepaalde ziekten zoals borstkanker).
(Van een tumor) indeling van tumorcellen op basis van hun mate van afwijking van gezonde cellen. Graad 1 betekent weinig afwijkend van gezonde cellen, graad 3 sterk afwijkend en graad 2 zit daar tussenin. Zie ook bij gedifferentiëerd.
Geneesmiddelen of lichaamseigen stoffen die zorgen voor de groei van bepaalde specifieke cellen, bijvoorbeeld VEGF.
Een verhoogde aanwezigheid van HER2-receptoren op de kankercel. Ook wel HER2 positief genoemd.
Eiwit (antigeen) dat zich bevindt op de celwand van bepaalde borstkankercellen en deze cellen het signaal geeft om te delen. Deze receptor is het doelwit van HER2-antilichaamtherapie. Het HER2-antilichaam bindt zich aan de receptor waardoor deze geen signaal meer krijgt om te delen en onschadelijk wordt gemaakt.
Weefselleer; kennis/herkenning van het uiterlijk van verschillende soorten weefsels.
Boodschapperstoffen in het lichaam die in gespecialiseerde cellen of weefsels worden gemaakt en via het bloed of de lymfe hun plaats van werking elders in het lichaam bereiken. Bijvoorbeeld de oestrogenen en progestagenen die in de eierstokken worden gemaakt en hun effect uitoefenen op bijvoorbeeld de borst, baarmoeder of het bot.
(Tumoren) groeiend onder invloed van hormonen zoals oestrogenen of progestagenen.
Aangrijpingspunten op de celwand, waaraan hormonen zoals oestogeen of andere groeifactoren zich kunnen binden. Wanneer zo’n binding tot stand is gekomen, geeft de receptor een signaal door aan de cel, om zich te gaan delen en dus te groeien. Hormoonreceptoren kunnen ook voorkomen op de celwand van borstkankercellen. In dat geval zorgen de eigen hormonen van de vrouw er dus voor dat de tumorcellen aangezet worden tot groei.
Hoeveelheid (concentratie) van hormonen in het bloed.
Vervanging van lichaamseigen oestrogeen en progesteronproductie na de overgang. Wordt soms ook toegepast wanneer men ten gevolge van chemotherapie vroegtijdig in de overgang komt.
Bbehandeling met stoffen die de groei-stimulerende werking van de lichaamseigen hormonen op hormoongevoelige tumoren tegengaan. Voorbeelden zijn: anti-oestrogenen en aromataseremmers.
Immuno Histo Chemie, een methode om overexpressie van bijvoorbeeld HER2 te meten.
Zie antilichaamtherapie. Behandeling die gebruikt maakt van dezelfde principes als het eigen immuunsysteem.
Systeem in het lichaam dat zorgt voor de afweer tegen lichaamsvreemde stoffen zoals bacteriën, virussen en tumoren. Dit afweersysteem maakt daarvoor zogenaamde afweercellen en/of afweerstoffen (antilichamen), die in staat zijn “vreemde cellen” te vernietigen en op deze manier het lichaam te beschermen tegen ziekte. Deze antilichamen herkennen op het celoppervlak van virussen of kankercellen de aanwezigheid van lichaamsvreemde eiwitten (zogenaamde antigenen of receptoren) en binden zich daaraan om deze cellen vervolgens te vernietigen.
Zie invasief.
Toediening van een opgelost geneesmiddel en/of een vloeistof via een slangetje en een daaraan verbonden naald direct in de bloedbaan.
Groeiend buiten de plek van ontstaan. Dit betekent bij borstkanker dat de groeiende tumor door de wand van een melkklier of melkgang gebroken is.
Klein orgaan dat speciale stoffen afscheidt (secretie) die een rol spelen in het lichaam. Er zijn klieren met inwendige afscheiding zoals bijvoorbeeld lymfe of hormonen en klieren met uitwendige afscheiding zoals bv melkklieren of zweetklieren.
Kwart gedeelte van de borst; linksboven, rechtsboven, linksonder of rechtsonder.
Borstoperatie waarbij ongeveer een kwart van de borst weggenomen wordt.
De witte bloedcellen (afweercellen) die het lichaam beschermen tegen infecties en/of lichaamsvreemde stoffen.
Tekort aan witte bloedcellen.
Geslachtsdrift; zin om te vrijen.
Borstsparende operatie waarbij de tumor met daaromheen een rand van ongeveer één cm gezond borstweefsel wordt weggenomen.
Vloeistof in de lymfevaten, bevat de afvalproducten uit de weefsels.
Afvoer van lymfevocht.
Boonvormig orgaantje dat de lymfevloeistof produceert.
Pathologischonderzoek van een of meerdere lymfeklieren met tot doel te onderzoeken of hierin uitzaaiingen aanwezig zijn.
Aanwezigheid van borstkankercellen in de lymfeklieren.
Aanwezigheid van borstkankercellen in de lymfeklieren.
Ophoping van lymfevocht door belemmering van de afvoer als gevolg van weefselbeschadiging tijdens okselklierverwijdering. Het lymfevocht hoopt zich op in de arm, waardoor de arm dik wordt (oedeem).
Systeem van lymfeklieren en lymfevaten dat zorgt voor de afvoer van afvalstoffen uit de weefsels.
Kwaadaardig.
Mate van kwaadaardigheid/mate van afwijking van gezonde cellen.
Een röntgenfoto van de borsten die met een speciaal daartoe ontwikkeld röntgenapparaat wordt gemaakt. Veelal vindt dit onderzoek plaats in het kader van het landelijke preventieprogramma bij vrouwen van 50 jaar en ouder.
Met de hand.
Radicale mastectomie; letterlijk betekent dit volledige verwijdering van de borst. Hierbij wordt zowel de borst, als de onderliggende borstspieren en de lymfeklieren uit de oksel verwijderd. Dit laatste noemt men ook wel “okselkliertoilet”. Gemodificeerde radicale mastectomie; hierbij worden de borstspieren niet verwijderd. Partiële mastectomie; letterlijk betekent dit gedeeltelijke verwijdering van de borst. Hierbij wordt een groot gedeelte van de borst weggenomen. De cosmetische gevolgen hiervan zijn aanzienlijk. Meestal worden ook de lymfeklieren in de oksel verwijderd
Aandoening van de borst waarbij cysten worden gevormd in de melkgangen.
Kanaaltjes die van de melkklier naar de tepel lopen en de moedermelk naar de tepel vervoeren.
De melkklieren produceren de moedermelk, de melkklieren monden uit in de melkgangen die naar de tepel leiden.
Overgang; wanneer de eierstokken stoppen met de afgifte van eicellen (ovulatie).
(Zie ook uitzaaiingen) groei van kwaadaardige borstkankercellen op plaatsen in het lichaam buiten de borst.
Kleine levende organismen van microscopische afmetingen; bv bacteriën.
Buisvormige structuren in de cel die zich voortdurend aanpassen aan hun functie. Tijdens de celdeling vormen deze microtubuli trekdraden waarlangs het erfelijk materiaal zich verdeelt over de beide dochtercellen die zijn ontstaan na de deling.
Celdeling.
Behandeling met één enkel geneesmiddel ( in tegenstelling tot combinatietherapie).
Magnetic resonance imaging, ook magneetscan genoemd. Bij deze afbeeldingtechniek komt de patiënt te liggen in een lange tunnel die een sterke magneet bevat, waarmee het water in de weefsels gemagnetiseerd wordt. Uit de verkregen signalen kan de computer van het apparaat de samenstelling van de verschillende weefsels berekenen en ze uittekenen in de vorm van een doorsnede (de MRI-scan). Gebieden waar geen water is, zoals bot of een tumor, geven geen signaal en zijn zwart op de scan.
Behandeling voorafgaand aan de operatie. Dit kan tot doel hebben om de kans op succesvolle operatie te vergroten of om te kijken hoe de tumor op bepaalde behandeling reageert.
Vochtophoping in de weefsels.
Belangrijkste vrouwelijke geslachtshormoon; speelt grote rol bij ontwikkeling van de vrouwelijke geslachtskenmerken, zoals de borsten, maar ook bij de eisprong en zwangerschap. Heeft verder gunstige effecten op o.a. het bot en hart- en bloedvaten. Zie ook hormonen en hormoontherapie.
Operatieve verwijdering van de lymfeklieren in de oksel , ook wel okselkliertoilet genoemd.
Kankerspecialisten.
Via de mond.
Deel van het lichaam dat een specialistische functie heeft; bijvoorbeeld het hart, de longen, de lever, de nieren.
Botontkalking, hierbij treedt verzwakking op van het bot waardoor sneller botbreuken kunnen ontstaan en/of de rugwervels kunnen inzakken. Dit treedt vooral op bij vrouwen na de overgang, door het stoppen van de productie van vrouwelijke geslachtshormonen in de eierstokken.
Eisprong.
Behandeling waarbij genezing niet meer mogelijk is. Een behandeling die als doel heeft de kwaliteit van leven te verbeteren door verlichting van klachten, en/of verlenging van het leven.
Laboratorium onderzoek naar afwijkingen en specifieke kenmerken van weefsels van patiënten. (bv. hormoongevoeligheid, HER2-positiviteit en maligniteitsgraad) Zeer belangrijk hulpmiddel voor de arts bij het stellen van de exacte diagnose en de keuze van de meest geschikte behandeling.
Een specialist die in een laboratorium weefsels van patiënten op afwijkingen en specifieke kenmerken onderzoekt.
Die lymfeklier in de oksel of borst die zorgdraagt voor de afvoer van lymfevocht uit het gebied waarin de tumor zich bevindt. Dit is de eerste klier waarin zich uitzaaiingen van de tumor zullen bevinden. Ook schildwachtklier genoemd.
Medicijnen die voorafgaand aan een bepaalde behandeling worden gegeven met tot doel de bijwerkingen van die behandeling te voorkomen of verminderen.
Ter voorkoming van.
Dit is de benaming voor een “nog niet actieve vorm” van een geneesmiddel dat na inname door het lichaam in de de actieve vorm wordt omgezet. Dit wordt bijvoorbeeld gedaan om orale inname mogelijk te maken. Een voorbeeld hiervan is capecitabine. Dit is een prodrug van 5 Fluoro Uracil.
Een van de vrouwelijke geslachtshormonen, speelt belangrijke rol bij innesteling van de eicel in de baarmoeder. Heeft daarnaast ook een effect op het borstweefsel.
Vooruitzicht; de kans op terugkeer van de ziekte of de kans op genezing.
Vervanging van een verloren gegaan lichaamsdeel door een kunstmatige nabootsing.
Het afzuigen van vloeistof of enkele cellen uit de tumor via een dunne naald. Het opgezogen materiaal wordt direct op een microscoopglaasje uitgestreken en kan binnen enkele uren onder de microscoop worden bekeken.
Behandeling door middel van een gerichte bundel radioactieve stralen met tot doel de (resterende) kwaadaardige cellen zo volledig mogelijk te vernietigen.
Aanlegplaats voor hormonen of groeifactoren die de cel als het ware een signaal geven bijvoorbeeld om te groeien of te delen.
De procedure die elk nieuw geneesmiddel moet doorlopen om toegepast te mogen worden voor een bepaalde ziekte.
Ribonucleïnezuur. Brengt de erfelijke informatie (DNA) van de cel over naar het eiwitproducerende deel van de cel.
Die lymfeklier in de oksel of borst die zorgdraagt voor de afvoer van lymfevocht uit het gebied waarin de tumor zich bevindt. Dit is de eerste klier waarin zich uitzaaiingen van de tumor zullen bevinden (ook poortwachtersklier genoemd).
Operatie waarbij in eerste instantie alleen de schildwachtklier wordt weggenomen om te kijken of zich daarin uitzaaiingen bevinden. Wanneer dit niet het geval is, is de kans zeer klein dat deze wel in andere klieren worden aangetroffen. Hierdoor is het niet nodig alle klieren weg te halen.
Letterlijk: tweede mening. Het vragen van een tweede arts om zijn/haar mening omtrent diagnose en/of behandeling. Bijvoorbeeld bij twijfels of de door de eerste arts voorgestelde behandeling wel de beste kans van slagen heeft.
Levensbedreigende situatie die optreedt als gevolg van een tekort an witte bloedcellen, gepaard gaande met ontsteking en koorts. Kan leiden tot een septische shock waaraan de patient kan overlijden.
Levensbedreigende daling van de bloeddruk ten gevolge van algemene verwijding van de bloedvaten.
Bot dat de schouder met het borstbeen verbindt, bevindt zich onderaan in de hals.
Abnormale celdeling en tumorvorming in een bepaald orgaan, bijvoorbeeld de borst, longen, darm of lever. Solide = vast, hecht, stevig. Dit in tegenstelling tot kanker die bestaat uit woekering van bepaalde bloedcellen die in het beenmerg worden aangemaakt, zoals bij leukemie, of in het lymfestelsel, zoals bij het Hodgkin lymfoom. Dit noemt men niet-solide tumoren (niet-solide = vloeibaar, los).
De -volgens de geldende richtlijnen- beste behandeling op dat moment.
Optredende verschijnselen of klachten.
Chemotherpeutica met een remmend effect op de celdeling. Taxanenverstarren de structuur van de microtubuli. Tijdens de celdeling vormen deze microtubuli trekdraden waarlangs het erfelijk materiaal zich verdeelt over de beide dochtercellen die zijn ontstaan na de deling. Door toedoen van taxanen loopt dit proces vast en gaat de cel dood. Ook in niet-delende cellen hebben taxanen invloed; daar verstoren ze ondermeer de beweeglijkheid en waarschijnlijk ook de transportfuncties.
Bloedplaatjes; cellen die gevormd worden in het beenmerg en in het bloed een belangrijke rol spelen bij de bloedstolling.
Indeling van de mate van voortschrijding van de borstkanker op basis van de tumorgrootte (T) aantal aangedane lymfeklieren (N) en aanwezigheid van metastasen elders in het lichaam (M).
Geneesmiddel op basis van HER2 antilichamen, specifiek gericht tegen borstkankercellen met HER2- overexpressie.
Vorming van bloedstolsels in het lichaam.
Gezwel
Borstsparende operatie waarbij de tumor met daaromheen een rand van ongeveer één cm gezond borstweefsel wordt weggenomen.
Uitzaaiingen zijn kankercellen die uit de oorspronklijke tumor via de lymfevaten of via de bloedvaten versleept zijn naar andere delen van het lichaam. Daar nestelen zij zich en delen zich opnieuw, zodat ook in dat lichaamsdeel een tumor ontstaat. Bij borstkanker komen uitzaaiingen behalve in de lymfeklieren vaak terecht in de botten, longen, lever of hersenen. Wanneer dergelijke uitzaaingen zijn aangetroffen is genezing niet meer mogelijk. Wel kan door middel van behandeling in veel gevallen de duur van het leven worden verlengd.
Vascular Endothelial Growth Factor dit is een groeifactor die een belangrijke rol speelt bij de nieuwvorming van bloedvaten (angiogenese) . VEGF is een mogelijk aangrijpingspunt voor zogenaamde angiogeneseremmers, een groep van anti-kankergeneesmiddelen die werken door de vorming van nieuwe bloedvaten van tumoren af te remmen. Een voorbeeld hiervan is Avastin®.
Het systematisch aftasten van de borst dat door de vrouw zelf maandelijks gedaan kan worden om te voelen of er veranderingen zijn; zoals verdikkingen, verhardingen, knobbeltjes, voelbare klieren of afscheiding uit de tepel. Lees voor uitgebreide informatie en instructie het deel diagnostiek –zelfonderzoek van deze website.
Pijn die optreedt als gevolg van de beschadiging van een gevoelszenuw bij het verwijderen van de lymfeklieren in de oksel. Dit uit zich in een brandend, schrijnend of zeurend, speldenprikkend of stekend gevoel en/of een strakke band om de borstkas en/of bovenarm. De hevigheid van de pijn neemt toe bij inspanning (tillen, bewegen, schrijven, wandelen etc.) maar ook bij vermoeidheid, koud weer of wrijvende kleding.
