Hormoontherapie
Bij de normale ontwikkeling van borsten spelen geslachtshormonen (oestrogenen en progestagenen) een belangrijke rol als groeifactoren. Zij zetten de cellen van het borstweefsel aan tot deling. Dit proces loopt via zogenaamde “hormoonreceptoren”. Dit zijn aangrijpingspunten op de celwand, waaraan oestrogenen of andere groeifactoren zich kunnen binden. Wanneer zo’n binding tot stand is gekomen, geeft de receptor een signaal door aan de cel om zich te gaan delen. Dit leidt tot groei van het borstweefsel. Hormoonreceptoren kunnen ook voorkomen op de celwand van borstkankercellen. In dat geval zorgen de eigen hormonen van de vrouw er dus voor dat de tumorcellen aangezet worden tot groei. Dit type tumoren wordt dan hormoongevoelig (of ook wel oestrogeen en/of progestageen positief) genoemd. Bij vrouwen die nog menstrueren heeft ongeveer 30% van de tumoren een overmaat aan hormoonreceptoren. Na de overgang geldt dit zelfs voor 2 van de 3 tumoren. De groei van dit type tumoren kan worden afgeremd door de werking van de eigen geslachtshormonen te blokkeren. Dit wordt “hormoontherapie” genoemd en kan op verschillende manieren:
- door het innemen van zogenaamde “hormoon blokkers” zoals anti-oestrogenen. Deze blokkeren de hormoonreceptor.
- Door de productie van de eigen geslachtshormonen te remmen, bijvoorbeeld door de eierstokken uit te schakelen die voor de menopauze de belangrijkste bron van geslachtshormonen zijn.
Vormen van hormoontherapie
- chirurgische verwijdering van de eierstokken
- bestraling van de eierstokken
- tijdelijke uitschakeling van de eierstokken met medicijnen (bijvoorbeeld gosereline)
- toediening van anti-oestrogenen (bijvoorbeeld tamoxifen); deze vorm van therapie is geschikt voor alle leeftijden
- blokkade van de eigen oestrogeenproductie door zogenaamde “aromatase remmers”, bv. anastrozol (Arimidex®), letrozol (Femara®) of exemestane (Aromasin®). Deze therapie is alleen geschikt voor vrouwen die al in de overgang zijn.
Al deze therapieën hebben dus via verschillende wegen tot gevolg dat er minder oestrogenen in het lichaam aanwezig zijn die de groei van de tumor kunnen stimuleren. Na de menopauze worden veelal in eerste instantie aromataseremmers gegeven vanwege hun grotere effectiviteit en gunstiger bijwerkingenprofiel bij deze groep patiënten.
De hormoontherapieën hebben het voordeel dat ze oraal kunnen worden toegediend in de vorm van tabletten of capsules. U hoeft hiervoor dus niet naar het ziekenhuis. Wel zult u deze middelen gedurende een aantal jaren (in totaal meestal vijf jaar) dagelijks moeten blijven innemen.
Mogelijke bijwerkingen van hormoontherapie
Aromataseremmers
De bijwerkingen van aromataseremmers zijn over het algemeen tamelijk mild; de meest voorkomende zijn opvliegers, hoofdpijn, misselijkheid, diarree, lichte haaruitval, gewrichtsklachten en vaginale droogheid. Ook vaginale bloedingen kunen optreden, met name de eerste weken na overschakeling van een voorafgaande hormonale therapie. Verder kunnen krachteloosheid en stemmingsstoornissen optreden en is er een verhoogd risico op thrombose (vergelijkbaar met de anticonceptiepil) en op langere termijn een gevaar van botontkalking (osteoporose).
Anti-oestrogenen
De belangrijkste bijwerkingen van anti-oestrogenen zoals tamoxifen zijn eveneens opvliegers, misselijkheid en braken. Verder treden frequent vaginale bloedingen op. Daarnaast kunnen onder andere oogafwijkingen, depressie, hoofdpijn vermoeidheid, gewichtstoename en haaruitval voorkomen alsmede thrombose, leverfunctiestoornissen en baarmoederafwijkingen. Op langere termijn is er een geringe verhoogde kans op baarmoederkanker (hiervoor zult u extra worden gecontroleerd) en op osteoporose.
Verwijdering/uitschakeling van de eierstokken
De bijwerkingen van het volledig uitschakelen van de eierstokken zijn meestal wat heftiger. De overgang treedt abrupt in met de bijpassende verschijnselen zoals opvliegers, transpiratie, vaginale bloedingen, hoofdpijn, jeuk, slapeloosheid en soms klachten van emotionele onevenwichtigheid. Daarnaast vermindert de slijmproductie van de geslachtsorganen en urinewegen waardoor eventueel pijn ontstaat bij de geslachtsgemeenschap en een branderig gevoel bij het plassen. Gewichtstoename en/of vochtophoping kunnen optreden. De huid en het haar worden op den duur dunner en de stevigheid van het bot neemt af. Als gevolg daarvan bestaat de kans dat er botontkalking (osteoporose) optreedt. Dit kan op lange termijn leiden tot een verhoogd risico op botbreuken en ingezakte ruggewervels (kleiner worden en/of kromgroeien). Om de botontkalking tegen te gaan, kunnen bisfosfonaten worden gebruikt.
Bij patiënten met uitzaaiingen in het bot wordt ook behandeling met bisfosfonaten aanbevolen. De middelen worden in dit geval gegeven ter vookoming van botcomplicaties zoals botpijn, fracturen en verhoogde calciumspiegels. Bisfosfonaten kunnen oraal worden toegediend (dagelijks) of per infuus (1 x per 3-4 weken). Voorbeelden van orale middelen zijn clodronaat (Ostac® en Bonefos®) en ibandronaat (Bondronat®). Voorbeelden van middelen per infuus zijn APD (pamidronaat), zoledronaat (Zometa®) en ibandronaat.
Wanneer u klachten of vragen over bijwerkingen heeft, bespreek deze dan altijd met uw behandelaar.