Anatomie
De borst ligt op de grote borstspier ter hoogte van de 3e tot de 6e rib. De vrouwelijke borst bestaat uit een systeem van klieren waarin de moedermelk gevormd wordt en verder geleid wordt naar de tepel.

Het kliersysteem is ingebed in vet- en bindweefsel en opgebouwd uit zogenaamde melkklieren. Vanuit de verschillende melkklieren leiden de melkgangen naar de tepel. Kort voor de uitmonding in de tepel vormen de melkgangen verbredingen, de zogenaamde melkzakjes. Deze vervullen bij het zogen een pompfunctie.
De bloedvoorziening van de borst vindt plaats vanuit bloedvaten in de okselholte en uit het gebied van het borstbeen. De bloedvaten vertakken zich netvormig en concentreren zich in de tepel. Belangrijk is ook het lymfesysteem. Lymfe –een heldergele vloeistof- ontstaat bij het uittreden van bloedplasma uit de bloedvaten in de weefsels. Met behulp van de lymfe worden afvalproducten van de cellen en ziekteverwekkers uit de lichaamsweefsels afgevoerd. Daarnaast is in het lymfe-systeem een belangrijke rol weggelegd voor de lymfeklieren. Hierin bevinden zich de afweercellen (witte bloedlichaampjes oftewel leucocyten) die het lichaam beschermen tegen infecties. De voor de borst belangrijkste lymfeklieren liggen in de okselholte, aan de rand van het borstbeen en bij het sleutelbeen. Bij gezonde mensen zijn de lymfeklieren niet voelbaar. Ze zijn zacht en hebben ongeveer de grootte van een krent. Bij ontstekingsgerelateerde veranderingen in hun afvloeiingsgebied zwellen ze op en worden drukgevoelig of zelfs pijnlijk.
De borstklier is opgebouwd uit melkklieren. De borst bestaat uit klierweefsel, vet- en bindweefsel. Functie: melkproductie, bloedtoevoer, lymfeklieren
Fysiologische veranderingen van de borst
De hoeveelheid vetweefsel die zich tussen het klier- en bindweefsel van de borst bevindt, is van persoon tot persoon verschillend. De omvang en de verdeling van het vetweefsel bepalen de grootte en de vorm van de borst. Bovendien verandert de samenstelling van de borst tijdens de verschillende perioden van het leven.
- In de puberteit groeien de melkgangen uit. Tot het 20e jaar bestaat al een deel van de melkklieren. De borst bestaat voornamelijk uit veel bindweefsel.
- Het klierlichaam van een dertigjarige vrouw is vol ontwikkeld en een deel van het bindweefsel is vervangen door vetweefsel.
- Tijdens de zwangerschap neemt de hoeveelheid klierweefsel toe onder invloed van hormonen. Ook bij het geven van borstvoeding worden de klieren geactiveerd door de zuig-reflex van de baby, die ervoor zorgt dat de melkproductie toeneemt.
- Na de overgang nemen zowel de melkklieren als ook het bind- en vetweefsel af.
Naast dit alles ondergaat de vrouwelijke borst hormonale veranderingen. Tijdens de menstruatie is er bijvoorbeeld een toename van de doorbloeding van de borst en ophoping van vloeistof. Veel vrouwen ervaren dit als een onaangename spanning in de borst. Deze verdwijnt na een paar dagen vanzelf weer.
![]() |
![]() |
![]() |
| Pubertijd | Voor de menopauze | Na de menopauze |
Borstveranderingen onder invloed van leeftijd en hormonale veranderingen


